Verhalen uit de praktijk
Mijn eten werd koud, maar dat hoort er soms bij
Een luchtig verhaal uit het dagelijks leven van een uitvaartverzorger. Over bereikbaar zijn, mens blijven en soms gewoon opnieuw je eten opwarmen.
Soms vraagt iemand aan mij:
“Heb jij eigenlijk vaste werktijden?”
Dan moet ik meestal een beetje glimlachen.
Natuurlijk heb ik een agenda. Afspraken, uitvaarten, besprekingen, rouwkaarten die gecontroleerd moeten worden, muziek die aangeleverd moet worden, formulieren die op tijd klaar moeten staan.
Maar in de uitvaartzorg houdt het leven zich niet altijd netjes aan kantoortijden.
En de dood al helemaal niet.
Pas geleden zat ik thuis aan tafel. Gewoon een doordeweekse avond. Bord eten voor mijn neus. Even geen pak aan, geen nette schoenen, geen map onder mijn arm. Gewoon thuis. Vader, man, Freddy.
Ik had net mijn eerste hap genomen toen mijn telefoon ging.
Dat geluid ken ik inmiddels zo goed dat ik soms al aanvoel: dit is geen reclame, geen pakketbezorger en geen “heeft u interesse in zonnepanelen?” Dit is werk.
Aan de andere kant van de lijn was een familielid van iemand van wie ik de uitvaart aan het regelen was.
“Sorry dat ik zo laat bel,” zei ze meteen.
Dat zeggen mensen vaak.
Alsof verdriet eerst even op de klok moet kijken.
Ze had nog een vraag over de rouwkaart. Of er misschien toch een andere foto gebruikt kon worden. De foto die eerder was gekozen, voelde ineens niet goed. Te officieel. Te netjes. Niet zoals hij echt was.
En ik snap dat.
Een foto op een rouwkaart is niet zomaar een foto. Het is vaak het beeld dat mensen als eerste zien. Het beeld dat op de keukentafel komt te liggen. Op de schouw. Naast een kaarsje. In een tas, om mee te nemen naar de uitvaart.
Dus ja, dan mag je twijfelen.
Ik legde mijn vork neer, liep even naar een rustige plek en luisterde. We bespraken de foto’s. Ik keek mee. We kozen uiteindelijk voor een beeld waarop hij lachte. Niet perfect scherp, niet gemaakt door een fotograaf, maar wél echt.
Toen ik terugkwam aan tafel, was mijn eten al iets minder warm.
Kan gebeuren.
Tweede poging.
Een paar minuten later ging mijn telefoon opnieuw.
Dit keer ging het over muziek.
Een nummer dat eigenlijk niet meer gebruikt hoefde te worden, moest toch weer terug in de dienst. Omdat iemand in de familie had gezegd: “Maar dit draaide hij altijd in de auto.”
En dan verandert zo’n lied ineens van “misschien niet nodig” naar “eigenlijk kan het niet ontbreken”.
Ook dat hoort erbij.
In een uitvaartweek veranderen keuzes soms. Niet omdat families lastig zijn, maar omdat ze onderweg ontdekken wat belangrijk is. Tijdens het regelen komen herinneringen boven. Iemand noemt iets. Er wordt een foto gevonden. Een lied komt voorbij. En ineens voelt iets wat eerder onbelangrijk leek, toch heel wezenlijk.
Dus ook dat telefoontje nam ik aan.
We pasten de muziekvolgorde aan. Even opletten of de timing nog klopte. Of het nummer goed was aangeleverd. Of het geen liveversie van acht minuten was terwijl we dachten dat het vier minuten duurde.
Dat soort dingen.
Toen ik opnieuw aan tafel ging zitten, keek ik naar mijn bord.
Het eten had inmiddels de temperatuur bereikt van: technisch gezien nog eetbaar, maar niemand wordt er echt blij van.
Ik nam een hap.
Telefoon nummer drie.
Nu moest ik zelf lachen.
Mijn gezin keek me aan met zo’n blik van: daar gaan we weer.
Dit keer was het een korte vraag. Of ik de volgende ochtend iets eerder bij de familie kon zijn, omdat er nog iemand uit het buitenland aankwam die graag even rustig afscheid wilde nemen voordat de rest van de dag begon.
Dat zijn vragen waarbij ik niet lang hoef na te denken.
Als het kan, dan kan het.
En vaak kan er meer dan mensen denken.
Ik hing op, paste mijn planning aan en schoof weer aan.
Mijn eten was koud.
Niet een beetje lauw. Gewoon koud.
En eerlijk is eerlijk: daar baal ik soms ook weleens van. Niet dramatisch, niet zielig, maar gewoon menselijk. Ik heb ook avonden waarop ik denk: nu even niet. Nu even thuis. Nu even mijn bord leegeten zonder dat er iets tussendoor komt.
Maar tegelijk weet ik ook: voor die familie is het geen gewone avond.
Voor hen is dit de week waarin alles anders is. Waarin ze overdag worden geleefd door afspraken, telefoontjes, bezoek, emoties en keuzes. En juist ’s avonds, als het stiller wordt, komen vaak de vragen.
Dan wordt de kaart nog een keer bekeken.
Dan wordt het muzieklijstje opnieuw afgespeeld.
Dan kijkt iemand naar een foto en zegt: “Is dit hem wel echt?”
Dan komt er twijfel.
Of verdriet.
Of ineens een herinnering die nog meegenomen moet worden.
En dan bellen ze.
Niet om mij lastig te vallen. Maar omdat ze midden in iets zitten wat ze misschien maar één keer goed willen doen.
Dat maakt dit werk bijzonder.
Het is niet alleen een kwestie van afspraken plannen en documenten regelen. Het is ook bereikbaar zijn op momenten waarop mensen zoeken. Naar rust. Naar bevestiging. Naar iemand die zegt: “Dat kunnen we nog aanpassen” of “We gaan zorgen dat het goed komt.”
Natuurlijk zijn er grenzen. Ook ik ben niet altijd direct beschikbaar. Ook ik moet soms slapen, eten, thuis zijn, opladen. En niet elke vraag hoeft om tien uur ’s avonds nog opgelost te worden.
Maar sommige avonden horen gewoon bij dit vak.
Avonden waarop het eten koud wordt.
Waarop je drie keer van tafel loopt.
Waarop je na het derde telefoontje denkt: nu eerst maar even opnieuw opwarmen.
En toch, als ik later hoor dat die foto precies goed was, dat dat ene lied veel deed, of dat die extra tijd in de ochtend heel waardevol was, dan weet ik weer waarom ik het doe.
Niet omdat koud eten zo leuk is.
Dat is het niet.
Maar omdat uitvaartzorg niet stopt zodra de klok vijf uur slaat.
Een overlijden gebeurt niet volgens planning. Rouw ook niet. En de vragen van families al helemaal niet.
Dus ja, ik heb een agenda.
Maar ik heb ook een telefoon die soms precies gaat op het moment dat mijn aardappels eindelijk op mijn bord liggen.
Dat hoort er blijkbaar bij.
En als ik dan later alsnog mijn eten opwarm, denk ik vaak:
Voor mij was het een onderbroken avond.
Voor die familie was het een stukje rust in een week die al moeilijk genoeg is.
En dan smaakt zelfs opgewarmd eten eigenlijk nog best prima.











