Verhalen uit de praktijk
Een gewone werkdag, behalve voor deze familie
Dit verhaal is gebaseerd op een werkdag die ik als uitvaartverzorger heb meegemaakt. Uit respect voor de privacy van de familie zijn namen, herkenbare details en enkele situaties aangepast.
Soms begint een werkdag heel gewoon.
Agenda open. Telefoon aan. Pak uit de kast. Even kijken welke afspraken er staan, welke drukproeven nog goedgekeurd moeten worden, of de muziekbestanden binnen zijn en of iedereen weet hoe laat hij waar moet zijn.
Voor mij is dat werk. Voor een familie is het vaak één van de moeilijkste weken van hun leven.
Die ochtend reed ik naar een familie waar een broer was overleden. Hij was 42 jaar geworden.
42.
Dat is zo’n leeftijd waarbij niemand aan een uitvaart wil denken. Geen leeftijd waarop ouders afscheid horen te nemen van hun kind. Geen leeftijd waarop broers en zussen ineens moeten bespreken welke muziek er bij de kist moet klinken. Geen leeftijd waarop vrienden appgroepen aanmaken om te vragen waar ze kunnen parkeren bij een crematorium.
Toen ik binnenkwam, was het huis vol. Niet druk op een ongezellige manier, maar vol van mensen die niet goed wisten waar ze met zichzelf heen moesten.
Zijn ouders zaten aan tafel. Zijn zus liep heen en weer met koffie. Een broer stond bij het aanrecht, armen over elkaar, vooral naar buiten te kijken. Er lagen al papieren op tafel, er stond een telefoon op speakerstand en in de hoek van de kamer stonden tassen met kleding, foto’s en spullen waarvan iemand had gezegd: “Misschien kunnen we hier nog iets mee.”
Dat zie ik vaker.
Na een overlijden gaan mensen zoeken. Naar foto’s. Naar muziek. Naar woorden. Naar iets dat samenvat wie iemand was. Maar hoe vat je 42 jaar samen? En zeker als iemand midden in het leven stond?
Deze man had veel mensen om zich heen. Familie, vrienden, collega’s, buren, sportmaatjes. Iedereen leek wel iets met hem te hebben. Niet omdat hij perfect was, dat is niemand. Maar omdat hij aanwezig was. Iemand die binnenkwam. Iemand die mensen kende. Iemand over wie direct verhalen kwamen.
En al vrij snel werd duidelijk: dit zou geen kleine uitvaart worden.
Er moest veel geregeld worden. Een grote aula. Genoeg tijd. Beeldscherm. Muziek. Livestream. Extra stoelen. Bloemen. Sprekers. Een erehaag. Vrienden die iets wilden doen. Collega’s die met elkaar wilden komen. Familie uit verschillende hoeken van het land.
Dan wordt mijn werk heel praktisch.
Hoeveel mensen verwachten jullie ongeveer?
Wie spreekt er?
Hoeveel tijd hebben we nodig?
Wie beheert de foto’s?
Komt er live muziek of alleen geluidsbestanden?
Wie ontvangt de mensen bij binnenkomst?
Wie loopt er straks achter de kist?
Moet er extra tijd zijn voor condoleren?
Waar parkeren de mensen?
Wat doen we als er meer mensen komen dan verwacht?
Dat klinkt misschien zakelijk. Maar juist die praktische vragen geven rust. Want in de hoofden van nabestaanden loopt alles door elkaar. Verdriet, ongeloof, herinneringen, familieverhoudingen, telefoontjes, berichten, keuzes, kosten, tijden.
Mijn taak is dan niet om het mooier te maken dan het is. Mijn taak is om overzicht te brengen.
“Het moet wel bij hem passen. Hij hield niet van klein.”
Die zin werd eigenlijk de lijn voor de hele week.
Niet: het moet indrukwekkend zijn.
Niet: het moet duur of groot om het groot zijn.
Maar: het moet bij hem passen.
Er kwamen veel toeters en bellen, zoals mensen dat dan noemen. Maar niet omdat de familie wilde laten zien hoe groots ze het konden aanpakken. Het kwam omdat zijn leven blijkbaar veel mensen raakte. Als je veel verbindingen hebt, wordt je afscheid soms vanzelf groot.
In de dagen daarna had ik veel contact met de familie.
Over een foto die nét niet scherp genoeg was voor op het scherm.
Over een lied dat bij de één meteen tranen opriep en bij de ander juist een glimlach.
Over een spreker die twijfelde of hij het wel kon.
Over de vraag of vrienden iets mochten neerleggen bij de kist.
Over een moeder die vooral vroeg: “Gaat het allemaal wel goed zo?”
Die vraag hoor ik vaker.
En meestal gaat die niet alleen over de planning. Die gaat ook over iets anders.
Doe ik mijn kind recht?
Doen we mijn broer recht?
Vergeten we niets?
Is dit genoeg?
Wordt het niet te veel?
Wordt het niet te weinig?
Bij jonge mensen is dat soms nog sterker. Omdat het zo niet klopt. De volgorde klopt niet. De leeftijd klopt niet. Het moment klopt niet. En dan proberen families houvast te vinden in alles wat wél geregeld kan worden.
Op de dag van de uitvaart was het druk.
Mensen stonden al vroeg buiten. Je zag groepjes vrienden bij elkaar. Sommige mensen heel stil, anderen juist pratend omdat stilte misschien te veel was. Er waren collega’s die zichtbaar zoekend binnenkwamen. Familieleden die elkaar stevig vasthielden. Mensen die elkaar lang niet hadden gezien en nu ineens op deze plek weer tegenover elkaar stonden.
Dat is ook een uitvaart.
Niet alleen de dienst zelf, maar alles eromheen.
De blikken.
De handen op schouders.
De mensen die even buiten blijven staan.
De vriend die stoer probeert te kijken, maar het niet droog houdt.
De ouder die recht vooruit kijkt omdat opzij kijken misschien te veel is.
Tijdens zo’n grote uitvaart ben ik voortdurend bezig. Niet opvallend, maar wel steeds aanwezig.
Staat de muziek klaar?
Zijn de sprekers er?
Weet de familie wanneer we gaan lopen?
Is de livestream gestart?
Kan iedereen zitten?
Moet er nog iemand naar voren geholpen worden?
Blijft de planning haalbaar zonder dat het gehaast voelt?
En tegelijk probeer ik te voelen wat er gebeurt. Want een uitvaart is geen draaiboek dat je alleen maar afwerkt. Je moet blijven kijken. Soms heeft een moeder tien seconden langer nodig voordat ze kan gaan zitten. Soms moet een spreker even ademhalen. Soms loopt een nummer af en is het beter om niet meteen te praten.
Dat zijn kleine dingen, maar ze maken verschil.
De dienst werd groot. Vol. Persoonlijk. Soms verdrietig, soms rauw, soms ook met een lach. Er werd verteld over wie hij was, zonder hem heiliger te maken dan hij was. Dat vond ik mooi. Want juist de echte verhalen blijven hangen. Niet alleen de nette versie, maar ook de menselijke versie.
Na afloop duurde het condoleren lang.
Heel lang.
En dat was eigenlijk precies goed.
Want bij iemand van 42 is er vaak veel dat mensen nog willen zeggen. Niet altijd aan de overledene zelf, maar aan de ouders. Aan de broers en zussen. Aan de partner. Aan elkaar.
“Sterkte” is dan vaak te klein, maar toch is het soms het enige woord dat mensen hebben.
Toen de meeste mensen weg waren, bleef de familie nog even staan. De spanning was eraf, voor zover dat kan. Niet het verdriet, dat natuurlijk niet. Maar wel de druk van de dag.
“Het was veel. Maar het klopte wel.”
En daar gaat het voor mij vaak om.
Niet of een uitvaart groot of klein is.
Niet of er veel bloemen zijn of juist bijna geen.
Niet of er drie sprekers zijn of niemand.
Niet of er veel toeters en bellen zijn of alleen een lied en een foto.
De vraag is: klopt het bij de persoon en bij de mensen die achterblijven?
Deze uitvaart was groot omdat zijn leven groot aanwezig was in dat van anderen. Omdat veel mensen hem kenden. Omdat er veel gezegd moest worden. Omdat 42 jaar veel te kort is, maar blijkbaar wel lang genoeg om sporen achter te laten bij heel veel mensen.
Aan het einde van zo’n dag stap ik weer in de auto.
Dan begint voor mij het gewone werk alweer bijna. Mail bijwerken. Spullen opruimen. Controleren of alles administratief goed staat. Misschien nog een familie bellen. Misschien alvast voorbereiden voor een volgende melding.
Maar helemaal gewoon wordt zo’n dag nooit.
Want achter elke afspraak in mijn agenda zit een familie voor wie die dag niet gewoon is.
En misschien is dat precies waarom ik dit werk doe zoals ik het doe.
Rust brengen waar veel tegelijk gebeurt.
Overzicht geven waar mensen het kwijt zijn.
En zorgen dat een afscheid niet alleen geregeld wordt, maar ook klopt.
Zeker als iemand pas 42 jaar werd.











